Lees verder
Terwijl biobased productie in de cosmetica al heel gebruikelijk is, is het in bijvoorbeeld de Europese polymerenmarkt nog relatief onbelangrijk, met een marktaandeel van nog geen half procent. Dat is één van de opvallende resultaten uit een recente studie die de Biomass Technology Group (BTG) uit Enschede onlangs uitvoerde voor het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie.
Pierre Gielen

Dit onderzoek heeft twee doelen’, zegt Jurjen Spekreijse, consultant bij BTG en een van de auteurs van het onderzoeksrapport. ‘Het eerste is om inzicht te geven in de stand van zaken in de Europese biobased chemie. Het schetst de huidige situatie en laat zien in welke markten biobased een sterke positie heeft, zoals cosmetica en in welke het nog nauwelijks van de grond komt, zoals oplosmiddelen.’

‘Het tweede doel is inzicht te geven in de beschikbaarheid van data. Door vast te stellen welke data goed beschikbaar is en welke moeilijk is te achterhalen, kunnen er vervolgens methodes worden ontwikkeld om de biobased markt beter in kaart te brengen. Daarmee houdt bijvoorbeeld het BioMonitor project zich bezig, waarvan Wageningen University & Research penvoerder is.’

Kleine steekproef

In het onderzoek werden markttrends bestudeerd in tien categorieën biobased producten. Daarbij is gekeken naar 50 commercieel verkrijgbare producten, wat neerkomt op gemiddeld vijf per categorie. Ze vormen een steekproef uit een totaal van 350 in Europa geregistreerde biobased producten. Waarom zo weinig? ‘We hebben deze selectie gemaakt om het project af te bakenen en tegelijkertijd een zo reëel mogelijk beeld te krijgen van de productcategorieën. Bovendien zijn onze bevindingen in interviews met experts binnen iedere productcategorie besproken en gevalideerd.’

Producten die BTG zelf ontwikkelt (zoals het door Foreco op de markt gebrachte NobelWood en FaunaWood, een alternatief voor tropisch hardhout dat wordt gemodificeerd met een fractie van pyrolyse-olie) vallen overigens niet binnen de onderzochte productcategorieën. ‘Hierdoor heeft de consultancy-afdeling de studie objectief kunnen uitvoeren.’

Resultaten

In totaal is nog maar 3% van alle chemicaliën in Europa biobased (4,7 Mton per jaar). Maar de verschillen zijn groot. Zo hebben cosmetica en oppervlakte-actieve stoffen met 44% resp. 50% aandeel biobased een ruime voorsprong op alle andere categoriën. Op de derde en vierde plaats staan synthetische vezels met 13% en verven, coatings en kleurstoffen met 12,5% biobased. Alle overige categoriën komen niet boven de 9% uit. Hekkensluiters zijn de biopolymeren met slechts 0,4% in de totale polymerenproductie van 60.000 kton per jaar in de EU en de platformchemicaliën; daarvan is 0,3% biobased, op een totale Europese jaarproductie van 60.791 kton.

Bulkchemicaliën, zoals platformchemicaliën en oplosmiddelen, zijn dan ook goedkoop. Ze kosten in het algemeen rond de € 1 tot € 2 per kilo, wat innovatie niet echt stimuleert. Maar ook de prijzen van de meeste andere biobased producten zijn aan de lage kant (rond € 10 per kilo), op enkele uitzonderingen na. Alleen de meer gespecialiseerde producten voor bijvoorbeeld cosmetica en persoonlijke verzorging zijn over het algemeen duurder.

Geringe groei

Bij ongewijzigd beleid zal de vraag naar biobased producten dan ook niet snel groeien, verwachten de onderzoekers. Zij schatten de gemiddelde jaarlijkse groei op 3,6%. In absolute aantallen is de meeste groei te verwachten in de markt voor oppervlakteactieve stoffen, omdat deze markt al groot is. Platformchemicaliën en lijmen zullen naar verwachting het hardst groeien in relatieve termen, met 10% per jaar. De markt voor groene oplosmiddelen en biobased smeermiddelen groeit naar verwachting niet veel, omdat het produceren van biobased alternatieven in deze markten een lage prioriteit heeft.

Wat de laag blijvende groei mede verklaart is dat de productiekosten van biobased producten nog steeds hoger zijn dan die van vergelijkbare ‘fossiele’ producten. Ook worden investeringen in de commerciële productie van sommige biobased chemicaliën als risicovol beschouwd. De overheid kan daar via beleidsinterventies wat aan doen, bijvoorbeeld door investeringsstimulansen, zoals subsidies, leningen en garanties. Andere denkbare opties zijn volgens de onderzoekers fossiele chemicaliën duurder maken via een koolstofheffing, of het gebruik van biobased chemicaliën verplicht stellen in bepaalde industrieën.

België koploper

Een opmerkelijke bevinding in het onderzoek is dat de Europese lidstaten die in de biobased productie aan kop lopen, bijna uitsluitend uit het Noordwesten van de EU komen. België, Duitsland en Frankrijk staan in wisselende volgorde in de top drie. Van Duitsland en Frankrijk is dat gezien de omvang van die landen wel begrijpelijk, maar hoe kan het dat België zo’n sterke positie inneemt?

‘Deze top 3 geeft een iets vertekend beeld, maar België heeft wel degelijk een sterke positie dankzij de aanwezigheid van grote bedrijven als TFC en Solvay’, legt Spekreijse uit. ‘Nederland scoort ook goed, maar komt in deze telling vaak net onder de top 3 uit. Voor een goed voorbeeld zou ik echter vooral naar Scandinavië kijken. Dat neemt, ondanks een relatief kleinere chemie, toch een behoorlijke positie in de biobased wereld in. Overigens blijkt niet uit deze studie welke unieke positie Nederland kan innemen. Met Rotterdam als haven en een sterke chemische industrie is er veel mogelijk met betrekking tot importeren van grondstoffen uit de landen om ons heen en het omzetten en verkopen van biobased chemicaliën en producten.’

Faunawood