Biobased Circular kreeg in 2023 uitzicht op in totaal €338 miljoen uit het Nationaal Groeifonds. Daarvan werd €102 miljoen definitief toegekend voor de eerste fase, van 2024 tot en met 2026. De resterende €236 miljoen werd voorwaardelijk gereserveerd voor de periode 2027 tot medio 2032. In deze tweede fase moesten demonstratiefabrieken worden gebouwd en succesvolle technologieën worden opgeschaald naar industriële productie.
Het kabinet volgt nu het negatieve advies van een onafhankelijke adviescommissie van het Nationaal Groeifonds. Lopende projecten en bestaande subsidieregelingen blijven in 2026 intact, maar voor het vervolg komt geen Groeifondsgeld beschikbaar.
De commissie onderschrijft het belang van verduurzaming van de chemische industrie, maar vindt de keuze voor biobased polyesters onvoldoende onderbouwd. Volgens haar is er nog te weinig zekerheid over toekomstige markten, commerciële opschaling en stimulerend Europees beleid. Ook zou het programma te sterk vanuit technologieontwikkeling zijn opgezet en zouden grote industriële spelers onvoldoende zijn vertegenwoordigd.
Nieuwe industrietak
Biobased Circular wil in Nederland een nieuwe industriële waardeketen opbouwen voor kunststoffen die niet uit aardolie, maar uit hernieuwbare koolstofbronnen worden gemaakt. Het programma richt zich vooral op bio-polyesters voor toepassingen in verpakkingen, textiel, coatings, harsen, bouwmaterialen en landbouw.
Daarbij worden bedrijven uit de landbouw, voedingsmiddelenindustrie, chemie, kunststofverwerking, recycling en consumentenmarkten verbonden met kennisinstellingen en financiers. Volgens het programma zijn inmiddels ongeveer 140 bedrijven betrokken bij circa 200 projecten.
Biobased Circular stelt dat biobased polyesters grondstoffen efficiënt kunnen benutten en goede mogelijkheden bieden voor recycling. Bepaalde varianten kunnen bovendien sneller afbreken wanneer zij onbedoeld in het milieu terechtkomen, waardoor het risico op langdurige microplasticvervuiling wordt verminderd.
De tweede fase moest onder meer leiden tot acht demonstratiefabrieken voor 2032. Die fabrieken waren geen einddoel, maar een tussenstap naar volwaardige commerciële productie.
Positieve evaluatie
Het negatieve besluit staat op gespannen voet met de onafhankelijke tussenevaluatie die onderzoeksbureau Technopolis eind 2025 uitvoerde. Die evaluatie moest bepalen of de voortgang in de eerste fase voldoende aanleiding gaf om het vervolg te financieren.
Technopolis wees erop dat na nog geen twee jaar nauwelijks definitieve economische of maatschappelijke effecten konden worden verwacht. Veel projecten waren pas kort daarvoor gestart. De evaluatoren keken daarom vooral naar de organisatie van het programma, de opgebouwde samenwerking, de eerste resultaten en de waarschijnlijkheid dat de beoogde effecten later zouden worden bereikt.
Hun oordeel was positief. Het programma zou inspelen op een relevante transitie voor de Nederlandse chemiesector en een passende ketenbrede aanpak volgen. Ook werd geconcludeerd dat met een relatief kleine organisatie in korte tijd veel activiteiten en samenwerkingen waren opgezet. De evaluatoren zagen geen aanwijzingen dat Biobased Circular niet op koers lag.
Externe onzekerheden, zoals een achterblijvende marktvraag en onduidelijke regelgeving, maakten publieke ondersteuning volgens de evaluatie niet minder, maar juist meer relevant.
Tweede valley of death
De discussie rond Biobased Circular past in een breder Europees probleem. Het Bio-based Industries Consortium, de private partner binnen de Europese samenwerking Circular Bio-based Europe Joint Undertaking, waarschuwt al langer voor twee zogenoemde ‘valleys of death’ in de ontwikkeling van biobased technologie.
De eerste ontstaat bij de overgang van laboratoriumonderzoek naar pilot- en demonstratieschaal. Europa beschikt daarvoor inmiddels over verschillende onderzoeks- en innovatieprogramma’s. CBE JU en zijn voorganger BBI JU hebben geholpen om nieuwe technologieën, samenwerkingsverbanden en waardeketens tot demonstratieniveau te brengen.
De tweede kloof begint daarna: bij de overgang van een geslaagde demonstratie naar een eerste commerciële fabriek. Die stap is veel kapitaalintensiever. Het gaat vaak niet meer om enkele miljoenen euro’s, maar om tientallen of honderden miljoenen.
Juist voor dergelijke first-of-a-kind-installaties is financiering moeilijk te vinden. Banken zien een technologie zonder langdurige productiehistorie. Investeerders twijfelen of de fabriek technisch en economisch zal presteren. Afnemers willen zekerheid over prijs, kwaliteit en leveringsvolumes voordat zij langlopende contracten afsluiten. Producenten kunnen die zekerheid echter pas bieden wanneer zij over een fabriek beschikken.
Zo ontstaat een patstelling: zonder fabriek geen concurrerende volumes, maar zonder gegarandeerde afzet geen financiering voor de fabriek. BIC benadrukt dat de tweede valley of death niet alleen een financieringsprobleem is. Ook de vraag naar biobased producten moet actief worden ontwikkeld. Biobased producenten concurreren met fossiele materialen waarvan de productieketens al tientallen jaren zijn geoptimaliseerd. Tegelijkertijd zijn maatschappelijke kosten van fossiele grondstoffen, zoals klimaatschade en vervuiling, nog maar beperkt in de prijs verwerkt.
Daarom is een combinatie nodig van financiële risicodekking en vraagstimulering. Garanties, leningen, investeringsfondsen en ondersteuning van eerste commerciële fabrieken moeten worden gekoppeld aan maatregelen zoals duurzaamheidscriteria, publieke inkoop, normering en verplichte aandelen hernieuwbare of gerecyclede koolstof. Zonder dergelijke marktsignalen blijven investeerders wachten. Een subsidie voor een fabriek is onvoldoende wanneer er geen voorspelbare afzetmarkt bestaat. Omgekeerd heeft vraagstimulering weinig effect wanneer producenten niet over voldoende kapitaal beschikken om productiecapaciteit te bouwen.
Biobased Circular was in belangrijke mate opgezet om beide kanten samen te brengen. Het programma verbindt technologieleveranciers, grondstoffenproducenten, verwerkers, merkeigenaren en potentiële afnemers. Daarmee vormt het feitelijk een nationaal antwoord op de tweede valley of death die BIC op Europees niveau signaleert.
Onzekerheid als argument
De kritiek van het Nationaal Groeifonds raakt precies aan de kenmerken van die opschalingskloof. De commissie noemt onvoldoende zekerheid over opschaling, marktontwikkeling en stimulerend beleid als redenen om de financiering stop te zetten.
Vanuit het perspectief van Biobased Circular en BIC zijn deze onzekerheden juist de reden waarom publieke ondersteuning nodig is. Volledige marktzekerheid kan moeilijk vooraf worden verlangd wanneer een programma mede is opgezet om die markt, productieketen en investeringsbasis te ontwikkelen.

Arnold Stokking (Groene Chemie, Nieuwe Economie) waarschuwde eerder al dat het vijf tot twintig jaar kan duren voordat nieuwe biogrondstoffen in industriële hoeveelheden beschikbaar zijn. Het Nationaal Groeifonds was volgens hem een van de weinige instrumenten waarmee technologieën door de kostbare demonstratie- en opschalingsfase konden worden geholpen.
Ook Kees de Gooijer van TKI Agri & Food benadrukte bij de start van het programma dat Biobased Circular was bedoeld om plannen snel in concrete projecten om te zetten en vaart te maken richting een duurzame chemische industrie.
Doel Groeifonds
Het Nationaal Groeifonds is opgericht om het duurzame verdienvermogen van Nederland op lange termijn te versterken. Het fonds moet juist investeren in projecten met grote maatschappelijke en economische baten die door hoge risico’s, lange terugverdientijden of marktfalen niet vanzelf tot stand komen.
Daarmee roept het besluit een fundamentele vraag op. Wanneer een programma wordt stopgezet omdat markt en opschaling nog onvoldoende zeker zijn, terwijl het juist bedoeld was om die markt en opschaling mogelijk te maken, dreigt het beoordelingskader de oorspronkelijke doelstelling te ondergraven.
Het stoppen van Biobased Circular is daarom meer dan een financiële tegenvaller voor één programma. Het vormt een testcase voor de bereidheid van Nederland om nieuwe industriële waardeketens daadwerkelijk door de tweede valley of death te begeleiden.
Zonder langdurige publieke steun voor de opschaling van biofabicage dreigen de opgebouwde kennis, samenwerkingsverbanden en investeringsbereidheid verloren te gaan. Vooruitkijken is moeilijk. Maar terugkijken levert wel enkele aanwijzingen op. Een jaar of vijftien geleden liep Nederland voorop in halfgeleidertechnologie, maar door ontbrekend industriebeleid lukte het niet om de productie van zonnepanelen voldoende op te schalen. Miljarden aan verdiencapaciteit verdwenen naar buiten Europa. Inmiddels is China wereldmarktleider in deze markt. Gaat de geschiedenis zich herhalen?
Beeld: Cinemanikor/Shutterstock