Onder de deelnemers klonk optimisme over biobased bouwstenen, biosynthetische textielvezels, microalgen, C1-chemie, AI-gestuurde fermentatie en continue bioprocessen. Maar minstens zo nadrukkelijk ging het over de weerbarstige praktijk: fabrieken op commerciële schaal zijn duur, klanten geven nog onvoldoende harde afnamegaranties, standaarden voor claims en CO₂-boekhouding ontbreken, waardeketens zijn versnipperd en fossiele alternatieven blijven (te) goedkoop doordat hun milieukosten niet in de prijs worden doorberekend.
In de openingssessie zette EuropaBio de mondiale uitdaging scherp neer: biomanufacturing is geen niche meer, maar een strategische industrie waarin regio’s proberen nieuwe producten te maken, waardeketens om te bouwen en internationale posities veilig te stellen. Algemeen directeur Claire Skentelbery van EuropaBio deed een krachtige oproep om regelgeving, markttoegang, investeringszekerheid en samenwerking in Europa sneller volwassen te laten worden. Alleen is de sterke Europese kennisbasis om te zetten in mondiale concurrentiekracht.
De belangrijke vraag is hoe beleid, industrie, kapitaal en afnemers elkaar zó versterken dat biobased alternatieven niet blijven hangen in pilotinstallaties. Die spanning kwam sterk naar voren in de ochtendpresentatie van ChainCraft. CEO Mark den Hartog schetste de route van agrofood-reststromen naar biobased medium-chain fatty acids van deze Nederlandse onderneming. De feedstock: aardappelsap uit de aardappelzetmeelindustrie.
ChainCraft draait al jaren op demonstratieschaal van ongeveer 2 kiloton per jaar en bereidt nu een full scale faciliteit van 20 kton voor. De presentatie liet vooral zien hoeveel er nodig is om van demo naar full scale te komen. Opschaling vraagt niet alleen betere fermentatie, maar ook procesdiscipline, veiligheid, betrouwbare feedstock, klanten die volumes willen afnemen en investeerders die de risico’s begrijpen. Daarmee werd een belangrijke les van de dag zichtbaar: biobased fabrieken ontstaan zelden in isolement. Ze hebben industriële ecosystemen nodig.
Pranav Kulkarni, Technology Advisor van RISE, legde de nadruk op de tussenruimte tussen onderzoek en commerciële fabriek. Het Zweedse onderzoeksinstituut positioneert zich als onafhankelijke scale-up partner: geen investeerder, geen IP-eigenaar, maar een partij die bedrijven helpt risico’s te verlagen. Met een infrastructuur die een capaciteit heeft tot zo’n 10.000 liter, screening met hoge doorvoercapaciteit, stamontwikkeling, downstream-apparatuur, LCA, techno-economische beoordeling en ondersteuning bij het opzetten van bedrijfsmodellen, wil RISE voorkomen dat bedrijven steeds weer dezelfde fouten maken bij het opschalen. De boodschap was helder: breng vroegtijdig industriële expertise in, nog voordat dure ontwerpkeuzes worden vastgelegd.
Overbugging van de financieringskloof
Maar zelfs een goed opgeschaald proces levert nog geen fabriek op. Dat bleek in het panel over de funding gap voor Europa’s volgende generatie bioraffinaderijen. Samuele Ambrosetti van het Bio-based Industries Consortium schetste het bredere kader: Europese subsidies, zoals de calls van de Circular Bio-based Europe Joint Undertaking, helpen technologieën richting hogere TRL’s, maar zijn onvoldoende voor commerciële fabrieken. Daarvoor zijn honderden miljoenen nodig, nog voordat er sprake is van een substantiële omzet.
Marco Jansen, Chief Commercial & Public Affairs Officer van het Nederlandse groene chemiebedrijf Avantium, maakte dat concreet. De route van idee naar first-of-a-kind plant duurt eerder 20 jaar dan 5 betoogde hij. In de vroege fases zijn subsidies en kleinere investeringen nog beschikbaar, maar naarmate de bedragen groeien, worden de instrumenten schaarser. Avantium ging in 2017 naar de beurs en combineerde subsidies, equity, fundraising en steun van de Nederlandse overheid om de eerste commerciële fabriek voor zijn biobased polymeerroute mogelijk te maken. Tegelijk wees Jansen op een structureel probleem: deeptechbedrijven blijven lang pre-revenue en kunnen juist in de kostbaarste fase worden gezien als “undertaking in difficulty”, waardoor toegang tot publieke steun onder druk komt te staan. Dat past slecht bij innovaties die tot 25 jaar nodig hebben voor een echte doorbraak.
Ward Heij, Business Development Manager van Colesco Capital (Nederland) benadrukte dat private investeerders eerder kunnen instappen dan traditionele banken, maar alleen als de businesscase geloofwaardig is. Alleen waar bindende wetgeving voor de afname bestaat, zoals in biofuels, accepteren afnemers en investeerders een premium prijs voor biobased producten. Cruciaal is ook dat risico’s (bouwrisico, operationeel risico, onderhoud, offtake, prijs en contractduur) zo worden verdeeld dat projecten financierbaar worden. Speciaal adviseur Rolf Kjærgaard van de Deense Novo Nordisk Foundation benadrukte dat de funding gap niet één enkel gat is, maar een reeks kloven tussen wetenschap, pilot, demo en markt. Europa investeert veel in onderzoek, maar heeft volgens hem dezelfde vasthoudendheid nodig in de commerciële fase.
Greta Zajančauskaitė van Invest Lithuania wees erop dat het probleem niet alleen is óf er kapitaal beschikbaar is, maar hoe scale-ups toegang krijgen tot dat kapitaal. Volgens haar moeten overheden, ontwikkelingsbanken en private investeerders sneller coalities vormen en hun criteria beter op elkaar afstemmen. Tegelijk moeten landen hun huiswerk doen: infrastructuur, grondstoffenketens, locaties en kostenstructuren moeten zo ver mogelijk voorbereid zijn, zodat scale-ups zich kunnen concentreren op hun technologie en hun businesscase.
Strategische autonomie
De aandacht verschoof naar de chemische industrie in het panel “From fossil to bio.” Moderator Lars Börger, CEO van het Duitse nova-Institut maakte duidelijk dat biobased chemicaliën niet langer alleen worden gezien als een duurzaamheidsoptie, maar ook als onmisbaar onderdeel van strategische autonomie. Martin Ledwon, Vice President Marketing, Sustainability & Communications van UPM Next Generation Renewables, wees op de grote investering in Leuna, Duitsland waar een bioraffinaderij op basis van onder meer beukenhout is opgestart. De investering liep op van circa €550 miljoen naar ongeveer €1,3 miljard, wat laat zien hoe kapitaalintensief first-of-a-kind projecten zijn. Toch verdedigde UPM het belang van first movers: wie vroeg positie inneemt, kan toekomstige waardeketens mede vormgeven.
Marco Pellegrini, Bioeconomy Manager van de Europese belangenorganisatie CEFIC, zag beleidsmomentum rond de Europese bioeconomiestrategie, een regulator-innovator forum, een biobased industry alliance en het idee van lead markets. Tegelijk klonk voorzichtigheid: veel initiatieven zijn vrijwillig, terwijl grote commoditymarkten zonder stevig marktmechanisme moeilijk in beweging komen. Een terugkerend punt was het verschil tussen performancemarkten, waar biobased materialen een premium kunnen rechtvaardigen, en volumemarkten, waar prijsdominantie allesbepalend blijft en de petrochemie nog steeds leidend is. Adam Lindholm, Head of Sales and Business Development van het Zweedse Sekab vatte het pragmatisch samen: biobased chemicaliën worden al verkocht, maar klanten kopen ze niet vanzelf.
Erich Cuaz, Head of Government Affairs and Advocacy van het Zwitserse cosmeticabedrijf Clariant benadrukte dat biobased oplossingen formeel erkend moeten worden voor hun bijdrage aan klimaatbeleid, biogene koolstofopslag, circulariteit en Europese veerkracht. In zijn visie vraagt opschaling om een sterker en coherenter beleidskader, dat marktvraag creëert, investeringen losmaakt en commerciële faciliteiten mogelijk maakt die reststromen omzetten in hoogwaardige biochemicaliën.
Fashion for Good
In het panel van Fashion for Good daarna stond de mass balance benadering van bio-PET centraal, onder leiding van Senior Analist Materials Innovation Aidan Collins. De kledingsector wil minder afhankelijk worden van fossiele polymeren, maar loopt tegen capaciteit, kosten en carbon accounting aan. Claire Mattelet, Fibers Global Sustainability Program Head van Indorama Ventures uit Thailand, liet zien hoe klein de huidige volumes nog zijn voor deze producent van halffabrikaten: circa 30.000 ton bio-PET met 30% biocontent op een totale productie van ongeveer 15 miljoen ton per jaar. De techniek en spinning assets zijn beschikbaar, maar de waardeketen is gefragmenteerd. Textielmerken vragen trials van 1 tot 10 ton, terwijl industriële spinning assets ongeveer 1.000 ton per dag produceren. Dat maakt fysiek gescheiden productie van bio-PET praktisch lastig.
Anders Schorling Overgård, Materials Research Lead van het Deense modemerk BESTSELLER, ziet bio-PET als mogelijke route naast textile-to-textile recycling, maar wees op interne complexiteit. Een groep met meer dan twintig merken moet vraag bundelen, specificaties harmoniseren en beter zicht krijgen op upstream leveranciers.
Richard Platt, Partner van ERM Consulting uit het VK, wees op carbon accounting: onduidelijkheid over mass balance, book-and-claim, allocatiemethoden en toekomstige emissieregels vertraagt investeringen. De Amerikaanse NGO Textile Exchange werkt aan standaarden, maar erkent dat bestaande systemen nog vooral zijn ingericht op batch segregatie, volgens Sophie Ridler, Recycled Engagement Manager van deze organisatie. De conclusie was niet dat mass balance alle problemen oplost, maar wel dat het een praktische tussenstap kan zijn om bestaande infrastructuur te benutten.
Nieuwe ideeën
Een aantal ondernemers presenteerde tijdens Bio Innovation hoe zij werken aan de opschaling van hun ideeën. Zo werkt DAB.bio uit Nederland aan vernieuwing van het fermentatieproces. CEO Eric van der Meer stelde dat biomanufacturing zich te lang heeft doodgestaard op (bacterie)stammen, feedstocks en schaal, terwijl het fermentatieproces sinds de jaren zeventig nauwelijks is veranderd. De technologie van DAB.bio maakt van fermentatie een continuproces, waarbij product en water doorlopend worden afgevoerd, terwijl de cellen grotendeels in het systeem blijven. Het levert een 10 tot 50% lagere kostprijs op.
Arborea uit Portugal liet vervolgens zien dat ook fotosynthese industrieel kan worden benaderd. Business Development Executive Felix Bilodeau-Boisvert liet zien hoe Biosolar Leaf-technologie gesloten, horizontale “ademende” buizen gebruikt waarin microalgen met zonlicht en laaggeconcentreerde CO₂ groeien, zonder dat daar grond voor nodig is. De focus ligt onder meer op spirulina en afgeleide ingrediënten zoals neutraal smakend eiwit en natuurlijke kleurstoffen. Het verhaal paste in een bredere beweging: CO₂, reststromen en zonlicht worden niet alleen als duurzaamheidsargument gezien, maar als basis voor nieuwe Europese feedstockzekerheid.
OxFA sloot daarop aan met een heel andere route: biomassa eerst afbreken tot één C1-molecule, formic acid, en van daaruit weer opbouwen naar methanol en andere bouwstenen. Managing Director Matthias Schmidt stelde dat de bottleneck niet zozeer feedstockbeschikbaarheid is, maar chemie die variabele biomassa efficiënt kan omzetten. Formic acid fungeert in die benadering als stabiel, transporteerbaar platformmolecuul dat aansluit op bestaande chemische infrastructuur. De vergelijking met syngas in de fossiele chemie maakte duidelijk hoe radicaal én herkenbaar de aanpak is.
Technologie kwam weer nadrukkelijk naar voren bij AI en digital twins, met de nadruk op voorspelbaarheid. Relly Brandman en John Bachman van A-Life, een Google X Moonshot project uit de VS, stelden dat AI alleen waarde toevoegt als eerst scherp wordt gedefinieerd welk commercieel probleem moet worden opgelost. In verschillende cases leidde geïntegreerde modellering van strain en proces tot betere yields, hogere productiviteit en lagere kosten.
Pow.Bio sloot daar inhoudelijk op aan met het idee van self-driving bioreactors. Biomanufacturing is nog steeds opvallend ambachtelijk,stelde Ouwei Wang, CTO and Co-founder van dit Amerikaanse bedrijf. Operators sturen dure bioreactoren vaak op basis van spreadsheets, trenddata en ervaring. AI kan veel meer variabelen tegelijk bewaken, maar mag niet zonder meer zware apparatuur aansturen. Een digital twin kan hierbij de brug vormen tussen model en fysieke reactor. Een praktijkcase met lactoferrine liet zien hoe zo’n digitale laag kan helpen om tijdens een lange run met mechanische problemen toch goede beslissingen te nemen.
Geduldig kapitaal
Wat is er werkelijk nodig om biomanufacturing van pilot naar fabriek te brengen? Het panel “From Lab to Factory” onder leiding van Varsha Sethuraman, Senior Research Associate van Lux Research, bracht de discussie op de verwerving van kapitaal. CEO Mark Simmers van Celtic Renewables noemde het “the singular hardest thing” dat hij ooit had gedaan. Celtic Renewables bouwde een first-of-a-kind commerciële bioeraffinaderij in Grangemouth (Schotland), die reststromen uit de whisky-industrie en landbouw via fermentatie omzet in aceton, butanol en ethanol. Dat kostte meer tijd en meer geld dan voorzien. Doorslaggevend was volgens Simmers de verwerving van ‘geduldig’ kapitaal, van investeerders die bereid waren de lange reis mee te maken, de marktpotentie zagen en vertrouwen hadden in het team.
Geoff Nobes, Director of Business Development van RWDC Industries uit de VS, benadrukte het belang van een demonstratie-installatie die investeerders kan overtuigen. RWDC bouwde een demo plant voor de productie van PHA-biopolymeren in Georgia, waarin ongeveer 70% van de apparatuur gelijk is aan de apparatuur in een full-scale fabriek. Alleen de fermentoren zijn kleiner; downstream-, purification- en extrusieapparatuur zijn zoveel mogelijk identiek. Daarmee kan het bedrijf laten zien dat het proces betrouwbaar, herhaalbaar en met constante kwaliteit werkt.
Amin Delparish, Process Development Engineer van het Nederlandse Process Design Center, waarschuwde dat al in een vroege fase met een industrieel perspectief naar het volledige proces moet worden gekeken: niet alleen naar de kerntechnologie, maar ook naar productspecificaties, downstream processing, utilities, energieprijzen, afvalwaterbehandeling en aansluiting op bestaande infrastructuur. Juist factoren buiten de directe procesgrens kunnen een businesscase onderuit halen. Daarom pleitte hij voor een iteratieve aanpak: van lab naar pilot en demo, maar ook weer terug, om kennislacunes tijdig te sluiten.
Toch blijft de tussenfase van demo naar productie problematisch, stelde Hendrik Waegeman, Head of Business Operations van Bio Base Europe Pilot Plant (https://www.bbeu.org/) in Gent, België. Deze faciliteit helpt bedrijven van lab naar pilot, demo en eerste commerciële productie, maar ziet steeds dezelfde catch-22 terugkomen. Schaalvergroting is nodig om de kosten omlaag te brengen, maar voor grote investeringen zijn afnamecontracten nodig. En afnemers willen op hun beurt eerst bewijs dat een bedrijf betrouwbaar op schaal kan produceren. Zonder trackrecord geen afnemers, zonder afnemers geen fabriek. Financieringsrogramma’s zoals die van CBE JU, waarin de Europese Commissie en BIC participeren, kunnen een deel van de first-of-a-kind fase ondersteunen, maar ze nemen het fundamentele financieringsprobleem niet weg. Ook trage regelgeving en vergunningverlening zijn in Europa een flinke bottleneck: als toelating van novel foods vier tot zes jaar duurt en biopesticiden zelfs tot twaalf jaar, wordt investeren onvoorspelbaar.
De stap van lab naar fabriek is kortom geen rechte lijn, maar een proces van leren, bijsturen en risico’s afbouwen. Biomanufacturing wordt interessant voor investeerders wanneer technologie, procesontwerp, feedstock, downstream processing, personeel, regelgeving en marktontwikkeling tegelijk volwassen worden.
Jonge generatie op het podium
Aan het einde van de middag kreeg de volgende generatie ondernemers een podium in de Nederlandse finale van de Bio-based Innovation Student Challenge Europe. BISC-E is bedoeld om studenten te betrekken bij de transitie naar een biobased economie en ondernemerschap rond nieuwe biobased producten en processen te stimuleren. Nationale voorrondes vinden plaats in verschillende Europese landen en in het najaar is de Europese fnale.
De drie pitches van Nederlandse studententeams toonden hoe breed de biobased economie inmiddels is. Team Caring Current richtte zich op Sargassum-zeewier in het Caribisch gebied. Wat nu vaak als overlast en afval wordt gezien — aanspoelend zeewier dat stinkt, ecosystemen belast en lokale economieën kan hinderen — werd in hun pitch gepresenteerd als grondstof voor hoogwaardige toepassingen. Het team keek daarbij onder meer naar fucoidan, een waardevolle bioactieve verbinding, en naar een bredere bioraffinagebenadering waarin zoveel mogelijk componenten van de zeewierbiomassa worden benut.
De twee andere finalisten bewogen zich in de textielsector, waar de druk toeneemt om persistente ‘forever-chemicals’ uit waterafstotende coatings en membranen te vervangen. Team Repello presenteerde een coating op basis van chitosan, gewonnen uit schelpdierafval. Daarmee koppelde het team twee vraagstukken aan elkaar: de valorisatie van een mariene reststroom en de behoefte aan PFAS-vrije functionaliteit in textiel. Chitosan werd gepositioneerd als een natuurlijk materiaal dat filmvormende en waterafstotende eigenschappen kan combineren met biologische afbreekbaarheid.
De winst ging uiteindelijk naar Team CircuTech, met Team Caring Current als tweede. CircuTech ontwikkelde een volledig biobased en biologisch afbreekbaar alternatief voor Gore-Tex-achtige outdoorstoffen. In plaats van een synthetisch membraan en PFAS-coating wordt een combinatie gebruikt van bacterieel polyester (PHBV), natuurlijke vezels zoals hennep en plantaardige carnaubawas-nanodeeltjes als waterafstotende laag. Daarmee is niet alleen PFAS te vermijden, maar ook een materiaal ontwikkeld dat kan afbreken in bodem- en mariene omgevingen. Studenten Benjamin de Beaufort, Maartje Post van der Burg en Jules Tack van Wageningen University & Research wonnen hiermee de eerste prijs van €1.000 en vertegenwoordigen Nederland bij de Europese finale in september.
Volgens de jury, met de Nederlandse serie-ondernemer Kirsten Herben-Steinbusch als voorzitter, zat kracht van het winnende concept zat in de combinatie van een herkenbaar marktprobleem en een duidelijke materiaalroute. De wedstrijd toonde dat de bio-economie niet alleen afhankelijk is van grote investeringen en industriële spelers, maar ook van nieuwe generaties die bestaande producten opnieuw durven ontwerpen vanuit hernieuwbare grondstoffen, circulariteit en afbreekbaarheid. Beide zijn nodig voor de toekomst van een bloeiende Europese bio-economie.
Foto bovenaan: Samuele Ambrosetti (BIC) leidde de eerste panelsessie tijdens Bio Innovations in Den Haag.
