Wanneer Dirk Carrez het gesprek opent, klinkt hij ontspannen. Na veertien jaar als uitvoerend directeur van het Bio-based Industries Consortium (BIC) zit zijn officiële rol er bijna op. Nog een paar maanden helpt hij bij de overdracht, daarna wacht het pensioen – al betekent dat in zijn geval vooral meer tijd voor consultancy en misschien eindelijk weer wat vaker naar zijn huis in Spanje.
“Veertien jaar later zat ik er nog”
Terugkijkend op zijn tijd bij BIC moet hij zelf een beetje lachen. Wat begon als een tijdelijke opdracht groeide uit tot een van de belangrijkste Europese netwerken rond biobased industrie. “Het zou eigenlijk een project van drie maanden zijn,” zegt hij. “Veertien jaar later zat ik er nog.”
In die periode zag Carrez hoe een kleine groep bedrijven uitgroeide tot een consortium van honderden leden uit industrie, wetenschap en innovatie. Tegelijk zag hij hoe de bio-economie in Europa langzaam volwassen werd – en hoe samenwerking tussen sectoren die vroeger nauwelijks met elkaar spraken steeds normaler werd.
Architect van de bio-economie
Toen BIC werd opgericht had waarschijnlijk niemand verwacht dat het zo’n grote organisatie zou worden.
“Dat klopt. De Europese Commissie wilde een publiek-private samenwerking opzetten rond biobased industrie en vroeg bedrijven zich te organiseren. Ik kreeg de opdracht om de private partner op te zetten.
We begonnen met een dertigtal bedrijven. Vandaag zijn het bijna 400 bedrijven, uit alle sectoren van de bio-economie. Daar zijn er meer dan 300 universiteiten en onderzoekscentra uit heel Europa bijgekomen. Als je dat zo bekijkt, is het eigenlijk ongelooflijk hoe snel het gegroeid is.”
Je begon je carrière als onderzoeker. Hoe ben je uiteindelijk in deze rol terechtgekomen?
“Ik ben bio-ingenieur van opleiding en heb een doctoraat gedaan in Gent, in moleculaire biologie. Mijn onderzoek ging over het produceren van eiwitten en enzymen in micro-organismen zoals schimmels.
Na mijn doctoraat werd ik benaderd door Solvay. Daar heb ik een onderzoeksgroep opgezet rond industriële fermentatie en enzymproductie via schimmels.”
Die periode beschrijft hij nog steeds met enthousiasme. “Het was een heel boeiende tijd. Industriële biotechnologie stond toen nog echt in de kinderschoenen.”
Maar zijn loopbaan kreeg een onverwachte wending. “Mijn afdeling werd verkocht en mijn onderzoeksgroep verdween. Toen dacht ik: ik wil terug naar innovatie. Zo ben ik bij de Belgische chemiefederatie terechtgekomen, waar ik verantwoordelijk werd voor zowel biotech als het innovatie-beleid.”
Daar begon ook zijn Europese betrokkenheid. “Dat was de periode waarin industriële biotechnologie echt begon op te komen. We spraken toen over ‘witte biotech’: biotechnologie voor industriële toepassingen zoals chemicaliën, materialen en enzymen. Dat was eigenlijk het begin van het bredere concept van de bio-economie.”
Samenwerking tussen sectoren
Hoe heeft BIC zich in die jaren ontwikkeld?
“In het begin lag de nadruk vooral op innovatie. BIC was immers de industriële partner in de publiek-private samenwerking met de Europese Commissie, eerst via de Bio-based Industries Joint Undertaking en later via de Circular Bio-based Europe Joint Undertaking. Deze partnerships moesten helpen om de kloof tussen onderzoek en industriële toepassing te overbruggen.
“Maar na verloop van tijd zagen we dat innovatie alleen niet genoeg was. Bedrijven investeren alleen als er ook markten zijn en als er financiering beschikbaar is.” Daarom verbreedde de rol van BIC. “Vandaag werken we eigenlijk op drie terreinen. Ten eerste innovatie en opschaling. Ten tweede toegang tot financiering en kapitaal voor bedrijven. En ten derde beleidsontwikkeling: hoe kunnen we markten creëren voor biobased producten.”
Juist die combinatie is cruciaal: “Nieuwe technologie ontwikkelen is één ding. Maar zonder markt en investeringen komt die technologie nooit op industriële schaal.”
Wat was voor jou persoonlijk de grootste uitdaging?
“Het samenbrengen van werelden die niet vanzelfsprekend met elkaar praten. De bio-economie verbindt sectoren die traditioneel vrij los van elkaar opereren: landbouw, chemie, voedingsindustrie, papierindustrie, technologiebedrijven. Ze dachten vooral aan hun eigen positie binnen het partnership… en aan hun deel van het budget.”
“De bio-economie begint wanneer sectoren met elkaar praten die elkaar vroeger nauwelijks kenden”
Hij herinnert zich de eerste bijeenkomsten nog goed. “Tijdens de eerste matchmaking-events zagen bedrijven elkaar soms echt voor het eerst.”
Dat leidde tot verrassende inzichten. “Een voedingsbedrijf zei: wij hebben eigenlijk alleen maar afvalstromen. En een chemisch bedrijf antwoordde: dat is precies de grondstof die wij nodig hebben. Het illustreert perfect hoe de bio-economie werkt: zodra sectoren elkaar beginnen te begrijpen, ontstaan nieuwe waardeketens.”
Heb je sectoren zien veranderen door die samenwerking?
“Zeker. Een sector die mij verraste was de pulp- en papierindustrie. Dat was vroeger een vrij conservatieve sector: hout verwerken tot pulp en daar papier of karton van maken, punt.”
Vandaag is dat anders. “Veel van die bedrijven hebben open innovatiecentra. Ze maken textielvezels, chemicaliën en andere biobased producten. Ze werken samen met bedrijven uit andere sectoren. Dat had vijftien jaar geleden bijna niemand verwacht.”
Volgende fase van de bio-economie
Toch blijft opschaling een probleem in Europa.
“Dat klopt. Veel start-ups ontstaan vanuit universiteiten. Professoren richten een spin-off op en blijven daar sterk bij betrokken. Ze beschouwen het bedrijf als hun baby, maar weten weinig van wetgeving, van investeringen aantrekken of van de concurrentie. In de Verenigde Staten zie daarentegen vaak dat er een ervaren ondernemer wordt aangetrokken om het bedrijf te leiden. We hebben nood aan ervaren entrepreneurs binnen onze sector.
Daarnaast is toegang tot kapitaal in Europa moeilijker. Opschaling naar industriële productie is duur en risicovol. Dat heeft gevolgen. Daardoor zien we soms dat technologie hier wordt ontwikkeld, maar elders wordt opgeschaald.”
Hoe beïnvloeden geopolitieke ontwikkelingen de sector?
“Er is momenteel veel onzekerheid. Hoge energieprijzen, geopolitiek en handelsspanningen maken bedrijven voorzichtig met investeren. Maar tegelijkertijd groeit het besef dat Europa minder afhankelijk moet worden van fossiele grondstoffen die we zelf niet hebben.”
Volgens Carrez creëert dat juist kansen. “De bio-economie kan een belangrijke rol spelen in het verminderen van die afhankelijkheid. Wat dit betreft staan de neuzen in Europese lidstaten inmiddels wat meer in dezelfde richting. Al zie ik ook wel dat politici nog vooral de kortetermijnbelangen beschermen van klassieke sectoren met traditionele feedstocks.”
Hoe zie je de toekomst van de bio-economie?
“Biomassa alleen zal uiteraard niet alle fossiele grondstoffen vervangen. De toekomst ligt in een combinatie van verschillende bronnen. Biomassa uit landbouw en bosbouw samen met organische afvalstromen is één onderdeel. Daarnaast speelt recycling van bestaande materialen een belangrijke rol. En op langere termijn kan ook het gebruik van CO₂ als grondstof belangrijker worden.”
Het doel is duidelijk: “De industrie minder afhankelijk maken van nieuwe fossiele grondstoffen.”
Waar ben je het meest trots op als je terugkijkt op veertien jaar BIC?
Carrez denkt even na. “Dat we een gemeenschap hebben opgebouwd waarin al die verschillende spelers samenwerken. Toen we begonnen waren er een dertigtal leden. Vandaag zijn dat er honderden.”
“Innovatie zit vaak bij kleine bedrijven”
Die samenwerking ziet hij als de kern van de vooruitgang. “Je ziet dat bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen elkaar vinden en samen nieuwe innovaties ontwikkelen. De innovatie zit vaak bij kleine bedrijven. Ik noem ze wel eens de engine of innovation.
Geen wondermiddel
Voor Dirk Carrez voelt zijn vertrek niet als een einde, maar eerder als een volgende fase. De bio-economie waar hij meer dan een decennium aan bouwde, staat volgens hem nog maar aan het begin van haar ontwikkeling. Nieuwe start-ups, samenwerkingen tussen sectoren en groeiende aandacht voor strategische autonomie in Europa geven het veld extra momentum.
“De bio-economie is geen wondermiddel dat alles oplost,” zegt hij nuchter. “Maar ze is wel een essentieel onderdeel van de oplossing.”
Dat BIC daarin een blijvende rol kan spelen, daar twijfelt hij niet aan. Het netwerk is inmiddels stevig verankerd in het Europese innovatie-ecosysteem. En de samenwerking tussen sectoren – ooit het grootste experiment – is voor veel bedrijven vanzelfsprekend geworden.
“Als ik zie hoeveel nieuwe ideeën, bedrijven en partnerschappen daaruit zijn ontstaan,” zegt Carrez, “dan denk ik dat we echt iets in beweging hebben gezet.”
Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met het Bio-based Industries Consortium.