Lees verder
De pluimvee(vlees)sector is een voorloper om zo energieneutraal mogelijk te produceren. Echter, energie is slechts een aspect. Ook zaken als dierwelzijn, het terugdringen van overlast voor omwonenden en de bedrijfsvoering moeten 'kloppen'.
Lucien Joppen

Dat stelt Ton van Korven, projectleider Bio-economie bij de ZLTO. ‘Mijn focus ligt voornamelijk op klimaat en milieu. Dan gaat het om afvalstromen, biomassa  verduurzamen van stallen, mestvergisting en alternatieve energiebronnen als wind en solar.’ Op het laatstgenoemde gebied hebben de landbouwsectoren in 2008 afspraken (Convenant Schone en Zuinige agrosectoren) gemaakt om hun CO2-emissie te reduceren. Het doel: een 30-procent reductie in 2020 (ten opzichte van 1990), onder meer door energiezuiniger te produceren en het aandeel hernieuwbare energie op te voeren tot 20 procent (1990-2020).

De pluimveevleessector heeft volgens de meest recente monitoring (2014, RVO) de grootste stappen voorwaarts gezet. In de stallen is het gasverbruik gedaald van 1 miljoen m3 in 1990 naar 0,6 miljoen m3 in 2012. Het electriciteitsverbruik daalde van 1,43 kWh naar 1,30 kWh (per kg vlees) in 2012. Per kilogram vlees is het gehalte CO2 gedaald van 5 kilogram naar 3,3 kilogram. ‘Van Korven: ‘Daarmee presteert de Nederlandse sector beduidend beter dan de Franse sector en iets beter dan onze Duitse collega’s. Beide landen zijn grote concurrenten, dus deze benchmark is belangrijk voor ons.’

Knoppen

Nu zijn er verschillende redenen waarom de pluimveevleessector grote vorderingen heeft gemaakt. Er zijn verschillende knoppen waaraan gedraaid kan worden, zoals onder meer de input (feed), de houderij en de output (vlees, mest e.d.). Door het kunstmestgebruik en grondbeslag (ruimte) neemt feed een groot aandeel van de CO2-emissie in beslag. In mindere mate geldt dit ook voor de houderij, lees de verwarming en verlichting van de stallen. Qua output zijn er verschillende mogelijkheden. Zo leidt de verduurzaming van het vlees (Beter Leven) tot een hoger energieverbruik (langere levensduur van de dieren, minder dieren per m2). Echter, door energiebesparende maatregelen en minder uitval/ziekte valt de CO2-belasting per kilogram vlees toch lager uit.

Beter Leven

Inzoomend op de houderij zelf, dan hebben verschillende pluimvee(vlees)houders geïnvesteerd in duurzamere stallen. Jan Quirijnen uit Lage Mierde is daarvan een goed voorbeeld. Drie jaar verhuisde hij zijn bedrijf van Westelbeers (gemeente Oirschot) naar de huidige lokatie. ‘Ik kon op mijn oude bedrijf niet verder uitbreiden. Vandaar dat ik op een bestaand perceel (1,5 hectare) een geheel nieuw complex heb laten bouwen. In plaats van gangbaar vlees lever ik nu Beter Leven-vlees (een ster, red.), hetgeen betekent dat ik tien dieren per m2 heb in plaats van 24. Deze doen er nu twee weken langer over om tot hun slachtgewicht (2,5 kilo) te komen. Waarom Beter Leven? Ik kan maximaal 75.000 dieren houden, ik kan dus alleen groeien door een hoger rendement per kilo vlees te realiseren. Bovendien is duurzamer pluimveevlees een groeimarkt in Nederland. Ook in andere markten, zoals Frankrijk en Duitsland, neemt de vraag toe.’

Hout en solar

Omdat Quirijnen zijn bedrijf van de grond af opnieuw kon inrichten, koos hij voor een duurzamere bedrijfsvoering. Hij liet twee houtkachels installeren (300 kW) die de stallen en zijn (toekomstige) woning verwarmen. Als grondstof gebruikt hij voor een kachel houtsnippers die door een nabijgelegen bedrijf worden geproduceerd. 80 tot 90 procent van de energie kan hij genereren met de snippers, voor het resterende deel gebruikt hij pellets. ‘Bij voorkeur wil ik lokale biomassa gebruiken. Het is maar de vraag of houtpellets zo duurzaam zijn. Wel ben ik door de inzet van biomassa niet meer afhankelijk van aardgas.’ Naast biomassa zet Quirijnen ook zonne-energie in: op het dak van de veldschuur liggen 240 panelen. De investeringen in deze voorzieningen kon Quirijnen grotendeels verhalen op de overheid.

Hele integrale plaatje moet kloppen

Doordat Quirijnen zijn stallen indirect verwarmt, is het vochtgehalte in de stal aanzienlijk gedaald. De drogere lucht zorgt niet alleen voor drogere mest en een betere energieconversie (zie BMC) en minder broei-ammoniak, maar ook voor een beter leefklimaat voor de dieren. Er is volgens Quirijnen minder kans dat dieren ziek worden door micro-organismen. Qua energieverbruik heeft Quirijnen grote vorderingen gemaakt: de warmte wint hij grotendeels terug, terwijl de overlast voor de omgeving door het gesloten systeem (plus luchtwasser) aanzienlijk is teruggedrongen.
Van Korven: ‘Zo energieneutraal mogelijk produceren is een belangrijk doel, maar maatregelen op dit gebied moeten wel passen in de gehele bedrijfsvoering. De investeringen zijn significant voor kleine bedrijven en deze risico’s kunnen ondernemers niet alleen dragen. Dierwelzijn is een aspect dat in sommige gevallen kan conflicteren met milieudoelstellingen, maar in geval van Quirijnen zijn de voordelen voor dier en milieu evident.’

De vraag is wel: moet de sector deze vorderingen niet nadrukkelijker communiceren richting consument? Het lijkt er op alsof deze inspanningen achter de schermen plaatsvinden. Volgens Van Korven moet de sector dit nog nadrukkelijker communiceren. ‘Er zijn inmiddels verschillende – lokale – initiatieven, onder meer Energie van Boeren en Keten Duurzaam Varkensvlees (van De Hoeve) die actief de publiciteit zoeken.’